|
||||||||||||||||||||||||||||
Toepassing van vuursteenPijlpunten van
(vuur)steen voor pijl en boog
Soorten, het maken ervan en het plaatsen op een pijlschacht met houtteer en darmen
Ongeveer 11.500 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd. Het landschap kreeg daarna relatief snel een ander aanzien. Grote delen van Europa raakten met bos bedekt. Maar niet alleen de plantenwereld veranderde drastisch, ook de dierenwereld kende grote veranderingen. Veel grote ijstijdzoogdieren verdwenen van het toneel. Al die veranderingen hadden gevolgen voor de gereedschapskist van de prehistorische mens. In het algemeen kan gezegd worden dat de stenen werktuigen kleiner werden doordat het leven aangepast moest worden aan de veranderde flora en fauna. Pijl en boog doen voor het eerst hun intrede tegen het eind van het Paleolithicum (Oude Steentijd), zo'n 11.000 jaar geleden. Tijdens het erop volgende Mesolithicum (Midden Steentijd) raken pijl en boog verder verbreid. Dit deel van de steentijd wordt vooral gekenmerkt door heel kleine (vuur)stenen werktuigjes die we microlieten noemen. De meeste van deze microlieten kunnen tot de spitsen gerekend worden. Vele daarvan zijn als pijlspits gebruikt.
Tijdens het Neolithicum (Nieuwe Steentijd) krijgen we dan met pijlspitsen te maken die de typische vorm hebben waarmee ze bij vrijwel iedereen bekend zijn: de vorm van een sparrenboompje. Deze sparrenboompjes zien er echter niet allemaal hetzelfde uit. Sommige hebben weerhaken, andere weer niet. Transversaalspitsen die al in het Mesolithicum bekend waren, komen nu nog steeds voor. Verder worden uit dit deel van de steentijd wel bladspitsen gevonden, maar bij een deel daarvan zal het om halffabrikaten gaan; het zijn dan nog geen kant-en-klare pijlpunten.
Na het Neolithicum volgt de Bronstijd die tot zo'n 800 voor Christus duurt. Hoewel die naam duidt op het gebruik van brons, worden dan nog veel vuurstenen werktuigen gebruikt. Dat geldt ook voor de pijlpunten die veelal nog van vuursteen zijn. We zien naast sparrenboompjes en bladspitsen echte driehoekige spitsen. Pijl en boog was een effectief wapen bij de jacht. Zo werd bij experimenten in het vrije veld een rennend hert gedood door een pijl die op 75 meter afstand werd afgeschoten. Deze pijl drong de borst van het dier binnen om er aan de andere kant weer uit te komen. Twee volwassen beren werden tijdens experimenten gedood toen ze getroffen werden door pijlen in de borst en in het hart. Deze pijlen werden afgeschoten van respectievelijk 60 en 40 meter afstand. Verder lezen we in een ooggetuigenverslag van een jachtpartij van prairie-indianen in Noord-Amerika over wild dat van een afstand van 90 meter met pijl en boog werd gedood. De jacht van Noord-Amerikaanse indianen op een drie jaar oude beer die in een boom is gevlucht, wordt tevens gemeld. Een pijl die op het dier is afgeschoten, gaat er dwars doorheen om dan 40 meter verder terecht te komen.
Bij ooggetuigenverslagen en experimenten die in het verleden werden uitgevoerd, is wel vaker sprake van pijlen die dwars door de prooi heen schieten om dan pas verderop op de bodem terecht te komen. Hierbij moet men in gedachte houden dat het bij pijlpunten vooral gaat om het diep genoeg in het lichaam doordringen om een dodelijke bloeding te veroorzaken. Dat doel kon ook bereikt worden als de pijl het lichaam van de prooi weer verliet. Ooggetuigen berichten ook over het gebruik van gif door Noord-Amerikaanse indianen om de jachtresultaten te verbeteren. Daarbij werd gebruik gemaakt van gifstoffen van bepaalde planten waarmee de pijlpunten dan werden ingewreven en ook dierlijk gif werd toegepast. Zo heeft men het over het gif van ratelslangen en spinnen dat in een lever van een hert werd gestopt. De lever liet men vervolgens verrotten waarna de pijlen er in gedoopt werden. Het gif was erg effectief maar werkte langzaam. Een aangeschoten hert bezweek pas na ongeveer 24 uur. In een ander geval is sprake van pijlpunten die samen met de koppen van ratelslangen en wortels van giftige planten in een huid werden gewikkeld waarna het rottingsproces kon beginnen. De aldus geprepareerde pijlpunten werden daarna bij de jacht gebruikt.
Hoewel we in Nederland en omgeving geen bewijs hebben voor het gebruik van gif bij de prehistorische jacht met pijl en boog, kunnen dergelijke verhalen uit het leven van de Noord-Amerikaanse indianen ons wel een idee geven wat er wellicht mogelijk is geweest. Voor het maken van pijlpunten werd in Nederland en omgeving in de meeste gevallen vuursteen gebruikt. Ook andere gesteenten konden in ervoor in aanmerking komen. Bekend in onze contreien zijn in dat opzicht de microlieten van Wommersomkwartsiet uit het Mesolithicum. Elders ter wereld zijn vooral jaspis en obsidiaan bekend als grondstof voor de fabricage van pijlpunten. Van bijvoorbeeld indianenstammen uit Californië is bekend dat ze met elkaar streden om de rechten tot de toegang tot obsidiaanvindplaatsen. We zouden ons weer kunnen afvragen of het er in onze omgeving bij de toegang en het bezit van goede vuursteenvindplaatsen altijd even vreedzaam aan toegegaan is.
Voor het schachten van pijlen op een houten pijlschacht, moest in deze laatste eerst een inkeping gemaakt worden. Daarna werd de pijlpunt in de schacht geplaatst en daarna met bijvoorbeeld schoongemaakte darm of natte reepjes huid vastgezet. Doordat de darm en huid tijdens het drogen wat gingen krimpen, kwam de pijlpunt stevig vast te zitten. Pijlpunten konden ook op de schacht vastgezet worden met houtteer (zie hiervoor het item over houtteer). Voor het gladschuren of recht maken van pijlschachten konden pijlschachtpolijsters gebruikt worden. Uit Nederland zijn daarvan enkele zandstenen exemplaren bekend.
Voor wie meer over (vuur)stenen en prehistorische pijlpunten wil weten, zijn wellicht de onderstaande werken interessant. Voor het schrijven van dit item over pijlpunten is ook van deze werken gebruikgemaakt.
Tekst, tekeningen en foto's: Jan
Weertz
|
||||||||||||||||||||||||||||
© De Belemniet |