|
|||||||||||||
Over gletsjermolens, kolkgaten en gletsjermolenstenenHet oppervlak van een gletsjer is niet strak en egaal zoals we dat bijvoorbeeld bij een ijsbaan zien. Integendeel, we komen er heel wat kloven en spleten in tegen. Zulke kloven en spleten kunnen ontstaan doordat de bodem onder de gletsjer hoogteverschillen kent. Daardoor moet hij soms iets naar beneden duiken waardoor de ijsmassa her en der breekt. Maar het kan ook zijn dat het dal waarin een gletsjer naar beneden ‘stroomt’ zich verbreedt. De gletsjer wordt daarbij in de breedte uitgerekt. Ook daarbij ontstaan breuken in het ijs. Verder is het zo dat de stroomsnelheid van een gletsjer niet overal hetzelfde is. Zo stroomt hij bijvoorbeeld in het middel sneller dan aan de zijkanten. En ook dat leidt weer tot breuken in het ijs. Deze breuken leiden tot de kloven en spleten.
Smeltwater dat zich aan de oppervlakte van de gletsjer vormt, stroomt via deze kloven en spleten naar beneden. Daarbij kan het helemaal tot bij de tientallen of honderden meters dieper gelegen dalbodem komen. Daar aangekomen vervolgt het water zijn weg stroomafwaarts over de dalbodem waarbij aan de onderkant van de gletsjer een tunnel uitgehold kan worden. Aan het uiteinde van de gletsjer komt het dan via een zogenaamde gletsjerpoort als een smeltwaterbeek naar buiten (afbeelding 1).
Door het vaak met grote snelheden naar beneden stortende water in de kloven en spleten ontstaan min of meer ronde schachten. Deze noemen we gletsjermolens. Het water in de gletsjermolens kent vaak een kolkende beweging. In het smeltwater komt ook door de gletsjer meegevoerd gesteentepuin voor. Dit geeft het naar beneden kolkende water een extra ‘schuurpapiereffect’ waardoor extra erosie in de gletsjermolen optreedt en waardoor gletsjermolens een extra grote doorsnede kunnen krijgen. Bij de gletsjers op Groenland zijn hierbij gletsjermolens met een doorsnede tot twintig meter aangetroffen. Aan de onderkant van de gletsjermolens ontstaan door het mengsel van kolkend water met puin in de bodem kolkgaten (afbeelding 2,3,4).
Door het fenomeen gletsjermolens ontstaan ook gletsjermolenstenen (afbeelding 5). Het zijn min of meer ronde stenen die hun vorm hebben gekregen toen ze in het naar beneden kolkende water in de kolkgaten terechtkwamen en daar door de turbulentie gingen ronddraaien. Door ander groter en kleiner gesteentepuin en door het botsen met de kolkwand ontstond weer een ‘schuurpapiereffect’ dat voor het afronden van de stenen zorgde.
Kolkgaten in de rotsbodem komen we in Europa op allerlei plaatsen tegen waar tijdens de glacialen (‘ijstijden’) gletsjers voorkwamen die nu verdwenen zijn. Erg goede voorbeelden ervan vinden we in de Gletschergarten (‘gletsjertuin’) in Luzern in Zwitserland, waar ze door een tentdak tegen weersinvloeden beschermd zijn. Daar vinden we ook het voor zover bekend grootste kolkgat van Zwitserland. Het is tien meter diep.
Maar niet alles wat eruit ziet als een kolkgat is door de werking van gletsjers met hun gletsjermolens ontstaan. Vergelijkbare vormen kunnen ook bij watervallen en bij rotsachtige kusten ontstaan. De gletsjermolenstenen zijn op allerlei plaatsen in Europa te vinden. We komen ze regelmatig tegen bij klifkusten met keileem uit de glacialen (bijvoorbeeld aan de Oostzee in het noorden van Duitsland) of op plaatsen waar noordelijke zwerfstenen als restant van die keileem overgebleven zijn (bijvoorbeeld op en rond de Veluwe in Nederland). Voor het schrijven van dit item is (in willekeurige volgorde) vooral van de volgende literatuur gebruik gemaakt. • W. Everaert et al., De aarde waarop wij leven, Zuidnederlandse Uitgeverij, Aartselaar, 1989. • Jürgen Ehlers, Das Eiszeitalter, Spektrum akademischer Verlag, Heidelberg, 2011. • Website www.gletschergarten.ch, Merkmale durch das Eis (versie 4 januari 2024). • Website www.wissenschaft.de, Anna Bolten, Grönlands gewaltige Gletschermühlen (versie 4 januari 2024). • Website Wikipedia, Gletsjermolen (versie 3 januari 2024) Tekst en overzichtskaartje: Jan
Weertz
Foto's: Jan en Els Weertz |
|||||||||||||
© De Belemniet |