De Belemniet

Home

Onderwerpen

Producten

Excursiepunten

Contact

Links

Over ons

Sitemap

De Voer van bron tot monding (deel 1)

Geologie met hier en daar een snufje natuur en cultuur

De Voer is een ongeveer twaalf kilometer lange zijrivier van de Maas, die door zowel de Belgische als de Nederlandse provincie Limburg stroomt. Voor het verhaal van de Voer moeten we eerst een blik op die Maas werpen. Tegenwoordig komt de Maas bij Eijsden Nederland binnen om dan via Maastricht naar het noorden te stromen. Ruim twee miljoen jaar geleden was dat anders. Toen boog de rivier ongeveer bij Eijsden af naar het oosten. Via Noorbeek ging hij vervolgens met een boog naar Kerkrade waar hij via een verscheidene kilometers breed dal in de destijds meer westelijk stromende Rijn uitmondde. Als we wat nauwkeuriger kijken, zien we dat de sedimentatiegrens van die oermaas via Montroux in noordnoordoostelijke richting langs Warsage (Weerst) en tussen 's Gravenvoeren (Fouron-le-Compte) en Sint-Martens-Voeren (Fouron-Saint-Martin) doorloopt om dan min of meer golvend, meer oostelijk langs Noorbeek, Epen en Vijlen te gaan lopen. Deze 'dalwand' van de oermaas met het lager gelegen dal kunnen we op een aantal plaatsen in het gebied nog goed zien, onder andere bij de kerk van Vijlen in Nederland (afbeelding 1). Tijdens het Pleistoceen kwam de schiervlakte van de Ardennen echter omhoog en kantelde het gebied in noordwestelijke richting. Daardoor werd de Maas gedwongen om zich in te snijden en een meer westelijke koers te volgen. 

stroomgebied van de Voer
Afbeelding 1. Het stroomgebied van de Voer in Nederland en België. Het sedimentatiegebied van de oermaas bevindt zich ten noorden en westen van de bruine onderbroken lijn.

Daarnaast speelden klimatologische invloeden een rol. Door klimaatgebonden variaties in de afvoer van water en sediment ging de rivier zich insnijden of werd juist zijn vlakte verbreed. Die verbreding van de vlakte gebeurde vooral tijdens koude periodes. De verticale insnijding vond tijdens warmere periodes plaats. Daardoor ontstonden grindrijke afzettingen en werden terrassen gevormd. 

Deze gebeurtenissen waren ook van invloed op zijrivieren zoals de Voer die in de loop der tijd een rol gingen spelen. De Voer stroomt namelijk over die bovengenoemde schiervlakte die naar het noordwesten kantelt. Daardoor kon de rivier met haar zijrivieren zich gaan insnijden en voor erosie zorgen. Hierdoor ontstonden brede en diepe dalen en kreeg het landschap een heuvelachtig aanzien. Ook de terrasvormige dalhellingen en afwisselingen in erosie en sedimentatie staan in verband met de bovengenoemde gebeurtenissen bij de Maas. 

De alleroudste gesteenten in het oostelijk stroomgebied van de Voer komen maar op één plek aan de oppervlakte voor. Het zijn harde kalkstenen uit het Onder-Carboon en we vinden ze in de oever van de zijrivier de Veurs, even voordat deze in de Voer uitmondt. In het oostelijk deel van het stroomgebied van de Voer komen we in de ondergrond echter vooral afzettingen uit de Krijtperiode tegen. Daarbij gaat het om glauconiet- en kleihoudende zanden en zandige kleien van de Formatie van Vaals en kalkstenen uit de Formatie van Gulpen. De kleihoudende zanden en zandige kleien uit die Formatie van Vaals zijn moeilijk doordringbaar voor water. Grondwater en in de bodem wegzakkend regenwater stagneren dan ook op deze zanden en kleien en stromen erover weg. Daar waar de betreffende laag in holle wegen doorsneden wordt, kan het water naar buiten treden waardoor we met bronnetjes te maken krijgen. Doordat er nogal wat holle wegen in het gebied voorkomen, die in de loop der eeuwen verder zijn uitgediept door het verkeer en door watererosie, zijn er ook meerdere bronnetjes. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in Sint-Martens-Voeren in een weg die als het 'Waterwegske' bekend staat (afbeelding 2). Om bij deze weg te komen, gaan we bij het tot Sint-Martens-Voeren behorende Kwinten over de geasfalteerde weg in de richting van Ulvend. Op een gegeven moment zien we rechts van de weg een boomkapelletje waarin zich een modern Mariabeeldje bevindt. Volgens een onderbordje bij een verkeersbord staat dit punt bekend als 'Knipke'. Als we met ons gezicht naar het boomkapelletje staan, gaan zowel links als rechts een veldweg het bosgebied in. Wij moeten de rechter veldweg hebben, dat is het 'Waterwegske' (hier staat een paal met een bordje 'wandelroute 54'). Deze veldweg gaat na enige tijd over in een holle weg die in het dal afdaalt. Het eerste stuk daarvan is goed begaanbaar, maar na enige tijd wordt de weg wat modderig. De oorzaak daarvan kunnen we zowel links als rechts op enkele plaatsen onder aan de berm van de holle weg zien. Daar komen namelijk kleine stroompjes water tevoorschijn; bronnetjes. Hoe verder we afdalen, hoe natter en modderiger de weg wordt. Als we bijna beneden zijn, waar de holle weg weer op de geasfalteerde weg aansluit, zien we rechts hoe men het water van een bronnetje in een in beton gevatte metalen buis opgevangen heeft. Op deze plek komt het water naast het betonnen muurtje echter gewoon aan de onderkant uit de berm stromen. 

Waterwegske met bronnetjes
Afbeelding 2. Het Waterwegske. We zien hoe het water door de holle weg naar beneden stroomt. Bij de tweede foto van links komt het bronwater uit de berm tevoorschijn om dan hellingafwaarts te stromen. Bij de rechter foto is de in beton gevatte metalen buis te zien waar het bronwater uit tevoorschijn komt. Rechts van het muurtje komt ook bronwater uit de berm tevoorschijn.

Als we net onze wandeling op het Waterwegske begonnen zijn, zien we links van de weg een boom met behoorlijk wat maretakken. De maretak (Viscum album) (afbeelding 3) is een halfparasiet die op bomen groeit en die zijn water met voedingszouten uit zijn gastheer betrekt. De plakkerige, witte vruchten worden door vogels verspreid. Het zaad ontkiemt op takken waarna de wortel in de boom doordringt en zo wordt de nieuwe plant verankerd. Maretakken doen het goed op kalkbodems en deze komen we in de Voerstreek met afzettingen uit het Krijt vaak tegen. Planten zoals de maretak vertellen ons dus iets over de toestand van de bodem, omdat hun aanwezigheid een teken is dat er kalk in de ondergrond aanwezig is. 

maretakken
Afbeelding 3. Maretakken in een boom langs de Voer (links). Bij het Waterwegske heeft de wind een tak met daarop een maretak uit een boom laten waaien. De bessen (3e foto) en het aanhechtingspunt op de tak (4e foto) zijn goed te zien.

De bodem van het Waterwegske is bezaaid met vuurstenen (afbeelding 4). Vuurstenen die we in het stroomgebied van de Voer vinden, zijn afkomstig uit het zogenaamde vuursteeneluvium of uit Pleistoceen riviergrind, vaak van de eerder genoemde oermaas. Zulke vuursteenrijke grindafzettingen zien we bijvoorbeeld dagzomen bij 's-Gravenvoeren langs de weg Vitschen, ongeveer ter hoogte van huisnummer 34. Het gaat hier om lemig grind dat tot de zogenaamde Afzettingen van Hoogcruts (Formatie van Stamproy) behoort (afbeelding 4). Op deze plaats kunnen we in het terrein ook zien dat hier ooit een (inmiddels met vooral gras begroeide) groeve is aangelegd voor de winning van dat grind. 

vuursteen Vitschen
Afbeelding 4. Vuursteen op het Waterwegske (1e en 2e foto). Bij de 2e foto ligt de vuursteen in het stromende bronwater. De 3e en 4e foto tonen vuursteen ter hoogte van Vitschen 34.

De Voer stroomt hier achter de huizen langs. Ter hoogte van nummer 34 mondt het riviertje de Noor erin uit (afbeelding 5). De plek van de monding is echter niet vrij toegankelijk want men moet over particulier terrein gaan om erbij te komen. Om de Noor(beek) te zien, rijden we bij nummer 34 nog wat verder door en gaan bij de splitsing naar rechts, de Schophemerheide in. Een klein stukje verder gaat deze weg over de Noor heen. 

Noor bron en monding
Afbeelding 5. De bron van de Noor bij de Wesch in Noorbeek (1e en 2e foto) en de monding ervan in de Voer bij Vitschen 34 (3e foto). De monding gaat volledig schuil in het struikgewas.

Verder hebben we vooral op de hogere delen van het stroomgebied van de Voer met windafzettingen uit het Pleistoceen te maken, die we als löss kennen (afbeelding 6). Deze afzettingen vinden we vooral op de plateaus en ze zijn voornamelijk okergeel van kleur. Het aanvoergebied van de löss moeten we zoeken in het gebied dat nu de Noordzee vormt en dat tijdens de twee laatste glacialen (Saalien en Weichselien) droog lag doordat veel water deel uitmaakte van het landijs.

Dal van de Voer en löss
Afbeelding 6. Het dal van de Voer bij Schophem. Hier doorsnijdt de rivier het (verspoelde) lösspakket dat als gele banden in de oever te zien is.

Bij de beschrijving van de locaties is sprake van momentopnames. De kans bestaat dat situaties en het aanzien op een later tijdstip niet meer hetzelfde zijn. Beschouw de vindplaatsgegevens dan ook als richtlijnen die in mindere of meerdere mate veranderd kunnen zijn. Bepaal zo nodig vooraf aan de hand van kaarten of de beschreven situatie overeenkomt met de werkelijkheid.

Tekst: Jan Weertz
Foto's: Jan en Els Weertz
© De Belemniet