De Belemniet

Home

Onderwerpen

Producten

Excursiepunten

Contact

Links

Over ons

Sitemap

Slangsterren

Deutsche Version Deutsche Version

Slangsterren (Ophiuroidea) behoren net zoals bijvoorbeeld zeesterren, zee-egels en zeelelies tot de stam van de stekelhuidigen (echinodermata). De dieren hebben een inwendig skelet van aan elkaar gegroeide kalkplaatjes. Aan het centrale lichaam zitten vijf dunne en zeer buigzame slangachtige armen waar ze hun naam aan ontlenen. Met deze armen die op het eerste gezicht iets op wervelkolommen (zie afbeelding) lijken, kunnen ze over de zeebodem kruipen. Door er snelle bewegingen mee te maken, kunnen ze er echter ook mee zwemmen. Bovendien kunnen ze er voedsel mee bemachtigen. In tegenstelling tot de zeesterren hebben de armen geen zuignapjes. Doordat de dieren over een goed regeneratievermogen beschikken, kunnen afgebroken armen weer aangroeien. De inwendige organen van slangsterren bevinden zich in de middelschijf die bij de grootste soorten tot zo'n 10 centimeter in diameter kan zijn. Aan de onderkant van die schijf vinden we ook de mondopening (zie afbeelding) die vijf uit plaatjes of tandjes bestaande kaken heeft en die tevens als uitscheidingsorgaan gebruikt wordt. Als voedsel dienen organische deeltjes (aas of detritus). De grootste soorten slangensterren kunnen tot 60 centimeter worden. 

Fossiele en recente slangsterren Linksboven: Sinosura is een geslacht van uitgestorven slangsterren. Dit exemplaar van Ried bei Neuburg (Duitsland) stamt uit de Boven-Jura. Onder links en midden: Dode slangsterren kom je regelmatig op de stranden langs onze kusten tegen. Deze exemplaren kwamen we tegen op het strand bij het natuurreservaat Le Platier d'Oye in het Franse departement Pas-de-Calais. We kunnen goed zien dat de dieren al snel in stukken uiteenvallen. Let goed op hoe de losse stukken eruit zien, dan weet je ook bij het vinden daarvan tot welke dieren ze behoren. Op de foto rechtsonder is naast een gedeeltelijk uit elkaar gevallen (gedroogde) slangster de onderkant van een losse middenschijf te zien. De ingezette foto toont een stuk van een wervelkolomachtige arm. Tenslotte zien we boven midden en rechts de boven- en onderkant van twee gedroogde slangsterren. Let op de mondopening die goed aan de onderkant te zien is.

Slangsterren kunnen we over de gehele wereld op of gedeeltelijk ingegraven in het slib van de zeebodem aantreffen. We vinden ze zowel in ondiep zeewater als op duizenden meters diepte. Daar kunnen ze in grote aantallen voorkomen. In de kustgebieden van Europa vinden we ruim 180 soorten. Zeven van deze soorten zijn inheems in de zee bij Nederland en België. 

Slangsterren kunnen enkele jaren oud worden. De eerste exemplaren komen we in het verre geologische verleden tegen in het Ordovicium. Hoewel fossiele slangsterren niet algemeen voorkomen, kunnen ze plaatselijk toch met grote aantallen bij elkaar gevonden worden. De oudste fossielen van slangsterren in Nederland stammen uit de Trias; ze zijn gevonden in de steengroeven bij Winterswijk in Gelderland. Ook in de kalksteen van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg zijn fossielen van slangsterren aangetroffen.

Voor het schrijven van dit item is vooral gebruik gemaakt van de volgende bronnen: 

* Zeelelies, slangsterren en zeesterren van John W.M. Jagt en Mart W.M. Deckers verscheen in Grondboor & Hamer, nr. 4/5, 1998; een uitgave van de Nederlandse Geologische Vereniging.

* Oudste slangsterren van Nederland komen uit de Trias van Winterswijk van Adiël A. Klompmaker verscheen in GEA, maart 2013, nummer 1; een uitgave van de Stichting Geologische Activiteiten.

* De grote encyclopedie der fossielen van Vojtěch Turek, Jaroslav Marek en Josef Beneš is een uitgave van Rebo Productions, Lisse 1990. De oorspronkelijke uitgave verscheen in 1988 in Praag onder de titel La grande Encyclopedie des Fossiles.


Tekst: Jan Weertz
Foto's: Jan en Els Weertz
© De Belemniet