De Belemniet

Home

Onderwerpen

Producten

Excursiepunten

Contact

Links

Over ons

Sitemap

Koralen

Deutsche Version Deutsche Version

Koralen behoren tot de klasse van de Anthozoa (bloemdieren of bloempoliepen) die op haar beurt weer tot de stam van de Cnidaria (neteldieren) behoort. Ook zeeanemonen behoren tot deze klasse der Anthozoa.

Koralen hebben een buisvormig lichaam. In feite hebben we te maken met een dubbelwandige zak. Aan het open boveneind van die zak bevinden zich een of meer kransen met vaak fraai gekleurde vangarmen. Hieraan danken zij hun naam bloemdieren of bloempoliepen. Deze vangarmen zijn uitgerust met netelcellen, waarin zich een gif bevindt. Bij aanraking van de netelharen op de vangarmen worden de cellen geactiveerd en wordt het gif in de prooi geschoten. De prooi wordt daardoor verlamd en kan via de mondopening naar de maagholte getransporteerd worden, waar deze verteerd wordt. Onverteerbare delen worden weer uitgescheiden via de mond die daardoor ook als anus fungeert. Deze mond/anus kan met een kringspier geopend en gesloten worden. Het voedsel van koralen bestaat overigens uit plankton. Maar ook een formaatje groter, zoals kleine visjes, wordt opgegeten. De vangarmen zijn overigens niet alleen bedoeld om voedsel te bemachtigen; ze kunnen ook voor de verdediging van het koraal gebruikt worden. Als de verdediging onbegonnen werk is, kunnen de vangarmen zelfs ingetrokken worden. Aan dat intrekken heb je natuurlijk niet veel als de tegenstander je als prooi ziet en je vervolgens met tentakels en al wil opvreten. Veel koraalsoorten zijn daartegen echter aardig beschermd doordat ze een uitwendig kalkskelet hebben dat de weke delen beschermt. Met dat kalkskelet zitten de dieren vast op de bodem van de zee. De kalk die voor de bouw van de skeletten nodig is, komt in opgeloste vorm in het zeewater voor.

Solitair koraal uit het Boven-Krijt van Noord-Spanje. Grootste doorsnede 6 cm. Kolonievormend koraal uit het Onder-Carboon van Schotland. Grootste breedte 11 cm. Kolonievormend koraal uit het Siluur van Gotland (Zweden).
Solitair koraal uit het Boven-Krijt van Noord-Spanje. Grootste doorsnede 6 cm. Kolonievormend koraal uit het Onder-Carboon van Schotland. Grootste breedte 11 cm. Kolonievormend koraal uit het Siluur van Gotland (Zweden)

We kennen zowel solitaire als kolonievormende koralen. Het kalkskelet van solitaire koralen noemen we coralliet. Bij een hele kolonie spreken we van corallum. Zulke kalkskeletten hebben goede mogelijkheden om als fossiel bewaard te blijven. De eerste koralen kwamen minstens al tijdens het Ordovicium voor. De eerste grote bloeiperioden bereikten ze tijdens het Devoon. Daarna volgde er nog een bloeiperiode in het Krijt. Daarbij gaat het echter niet om dezelfde soorten die we tegenwoordig kennen.

Koralen kunnen in de loop der tijd in sterke mate bijdragen aan de vorming van uitgebreide koraalriffen. Zulke rifbouwende koralen die in onze tijd voorkomen, leven in symbiose met groenalgen. Deze groenalgen zorgen door middel van fotosynthese voor voedingstoffen en bouwstoffen. Bovendien produceren ze hierbij zuurstof die aan de koralen wordt afgegeven. Door de symbiose is de diepte waarop deze koralen kunnen voorkomen beperkt. Voor de fotosynthese hebben de algen immers zonlicht nodig en dat dringt alleen in relatief ondiep water door. Tegenwoordige koraalriffen treffen we aan op waterdiepten van hoogstens 50 tot 60 meter. Verder moet de watertemperatuur minstens 22 graden zijn. Dergelijke condities vinden we in tropische en subtropische zeeën.

Solitair koraal uit het Boven-Krijt van Zuid-Limburg. Koraaldoorsnede 2,3 cm. Kettingkoraal uit het Siluur van Gotland (Zweden; grootste doorsnede 11 cm). Kolonievormend koraal uit het Midden-Devoon van de Eifel (Duitsland; hoogte 13 cm).
Solitair koraal uit het Boven-Krijt van Zuid-Limburg. Koraaldoorsnede 2,3 cm. Kettingkoraal uit het Siluur van Gotland (Zweden; grootste doorsnede 11 cm) Kolonievormend koraal uit het Midden-Devoon van de Eifel (Duitsland; hoogte 13 cm).

Dat koralen uit het verre geologische verleden ook in warme wateren leefden, weten we door de uitgestrektheid van de koraalriffen uit die tijden. Alleen warme wateren konden die grote hoeveelheden opgeloste kalk leveren die nodig waren voor het ontstaan van de riffen. Verder is bekend dat koraalriffen tijdens bijvoorbeeld het Devoon in de lichtrijkere relatieve ondiepten van de zeeën voorkwamen. De aanwezigheid van groenalgen in die wateren is ook aangetoond. Mogelijk bestond toen al een symbiose tussen groenalgen en koralen.

Solitaire koralen uit het Midden-Devoon van de Eifel (Duitsland; lengte koralen ongeveer 5 cm).
Solitaire koralen uit het Midden-Devoon van de Eifel (Duitsland; lengte koralen ongeveer 5 cm).

Fossiele koraalriffen vinden we niet ver over de grens in de Belgische Ardennen en in de Eifel in Duitsland. Een goede gelegenheid om kennis te maken met de grote diversiteit van koralen (en andere zeebewoners) die op de koraalriffen in de Eifel leefden, bieden onder andere het Eifelmuseum in Blankenheim en het Haus der Fossilien in Nettersheim. In het eveneens in Nettersheim gelegen Naturzentrum kan men in meerdere aquaria een idee krijgen van de kleurrijke wereld van de tegenwoordige koraalriffen. Of de koralen van de Devonische koraalriffen uit de Eifel ook zo bont gekleurd waren, is helaas niet bekend. Tegenwoordig komen op aarde nog zo'n 6000 soorten koralen voor. Door de klimaatsopwarming en de verzuring van de zeeën raken deze echter steeds meer bedreigd.

Tekst en foto's: Jan Weertz
© De Belemniet