De Belemniet

Home

Onderwerpen

Producten

Excursiepunten

Contact

Links

Over ons

Sitemap

Bij de Dinkel in het Lutterzand (Twente)

De rivier de Dinkel ontspringt in Duitsland tussen Coesfeld en Ahaus, komt bij Losser (Twente) Nederland binnen en stroomt verderop bij Ootmarsum weer Duitsland in. In het natuurreservaat Lutterzand is de Dinkel nog niet door de mens in een keurslijf gedrongen en stroomt nog meanderend door het landschap. De steile oever die de rivier hier vormt, is sinds 29 juni 2007 een aardkundig monument. In het natuurreservaat stroomt de Dinkel in een glaciaal bekken dat door het gletsjerijs tijdens de voorlaatste ijstijd (Saalien) is gevormd.

Om de geologische verschijnselen bij de Dinkel beter te begrijpen, zullen we eerst de laatste ijstijd, het Weichselien, nader bekijken. Toen bereikten de gletsjers ons land niet. Hoewel het koud was, hadden we niet altijd met dezelfde temperaturen te maken. Dit betekent dat de vegetatie ook niet altijd hetzelfde was. Soms hadden we een toendra, maar er kwamen ook wel naaldbossen voor. Soms werd het zelfs zo koud dat er helemaal niets meer groeide. Er was dan een poolwoestijn waarin grote hoeveelheden zand werden afgezet. Dit zand kwam uit het gebied van de Noordzee (die bestond toen niet, omdat de zeespiegel veel lager lag dan tegenwoordig). Ook werd zand aangevoerd uit droogliggende rivierbeddingen, het zogenaamde dekzand, dat we onder andere in het Lutterzand terugvinden. Aan het eind van de ijstijd werd het weer wat minder koud en kregen we warmere perioden. Maar zo nu en dan rukte de koude weer op. Die warmere perioden kennen we als de Bølling en Allerød Interstadialen. Na het Allerød Interstadiaal kwam de koude nog een keer goed terug, tijdens de zogenaamde Jonge Dryas die ongeveer 1150 jaar duurde. Daarna was het Pleistoceen ten einde en begon het Holoceen, waarin we nu leven.

geologisch overzicht
Plaatsing  in tijd van de besproken afzettingen. In de rechter kolom worden in rood de warme en in blauw de koude tijden weergegeven.

Vanaf restaurant Paviljoen 't Lutterzand volgen we de wandelroute met rode en gele paaltjes langs de Dinkel. We komen dan al snel bij een steile wand langs de Dinkel met allerlei afzettingen die ons een stukje geologische geschiedenis van het gebied vertellen. We zien een zandpakket waarin donkere lagen voorkomen. Onderin treffen we dekzanden aan die tijdens het Midden-Weichselien zijn afgezet. De ijstijd was toen op z'n koudst. Boven deze dekzanden zit een vrij donkere band. Deze stamt uit de Bølling en Allerød Interstadialen die gedurende het Laat-Weichselien kort op elkaar volgden. Tijdens deze warmere perioden kon de vegetatie zich weer ontwikkelen en kwamen eerst vooral berken in een parkachtig landschap en later dennenbossen voor. Door de vegetatie trad in de dekzanden bodemvorming op die we nu terugvinden als die vrij donkere band. Na het Allerød Interstadiaal brak dus de erg koude Jonge Dryas aan waarbij het landschap weer kaler werd. Zand kon weer gaan stuiven. Daardoor vinden we boven die donkere baan opnieuw dekzanden. Deze dekzanden worden aan de bovenkant begrensd door een nieuwe donkere band die op bodemvorming wijst. Deze bodemvorming hoort aan het begin van het Holoceen thuis. Boven deze band komen we in stuifzanden terecht. Deze hebben we echter voor een belangrijk deel te danken aan de mens zelf die in de loop der tijd de bossen kapte en voor overbeweiding zorgde. Daardoor verdween de vegetatie en kreeg de wind vrij spel: het zand kon gaan stuiven. Pas aan het eind van de 19e eeuw heeft men het verstuiven van het zand een halt toegeroepen door de aanplant van dennenbossen.

De steile wand langs de Dinkel
De afzettingen in de steile wand langs de Dinkel in het Lutterzand

Doordat het Weichselien vaak erg koud was, kregen we te maken met een bodem die permanent bevroren was: permafrost. Alleen in de zomer ontdooide het bovenste gedeelte van die bevroren bodem aan het oppervlak. Deze ontdooide laag kon gemakkelijk met water verzadigd raken om dan vervolgens met het invallen van de winter weer te bevriezen. Hierdoor ontstond vervloeiing en raakte de oorspronkelijke gelaagdheid verstoord en vervormde de bodem. Deze kryoturbatie is tegenwoordig als een min of meer slingerende gelaagdheid in de bodem te herkennen. Doordat de temperaturen in de winter heel snel daalden, kon de in de zomer ontdooide bovenlaag niet snel genoeg krimpen. Daardoor ontstonden scheuren in de bodem die later met smeltwater gevuld raakten. Als dit smeltwater vervolgens weer bevroor, ontstond ijs dat een groter volume heeft dan water. Er vond dus uitzetting plaats. Op deze manier ontstonden vorstwiggen. Als dit proces zich meerdere malen herhaalde, werd het vorstwig groter en spreken we van een ijswig. Doordat de wind in het kale ijstijdlandschap vrij spel had, werd veel zand weggeblazen. De wat grotere steentjes ontsnapten echter aan het windtransport en bleven achter als lagen met fijne steentjes: grindsnoertjes.

Een ijswig en kryoturbatie
Een ijswig (links) en kryoturbatie (rechts).  De gele lijn geeft het verloop van het verschijnsel weer.

Een informatiebord bij de Dinkel wijst de bezoeker op een aantal van deze ijstijdverschijnselen. Doordat het landschap langs de rivier sterk aan verandering onderhevig is, zijn deze verschijnselen lang niet altijd te zien. Oevers kalven af of profielen raken bedolven door sediment dat naar beneden valt of glijdt. De vegetatie rukt op en de toegankelijkheid is in de loop der tijd al enkele malen veranderd. Tijdens een tocht langs de Dinkel in mei 2013 was van kryoturbatie en ijswiggen niets te zien. Ook grindsnoertjes waren nauwelijks zichtbaar. Vroeger was dat soms heel anders en in de toekomst zal het zeker weer veranderen. Een enkele 'schoonveegactie' van moeder natuur kan daarvoor al voldoende zijn.

Grindsnoertjes
In de steile wanden zijn grindsnoertjes te zien.

De Dinkel meandert bij het Lutterzand behoorlijk. In de binnenbochten, waar de stroomsnelheid laag is, vindt sedimentatie plaats. In de buitenbochten daarentegen treedt bij een hogere stroomsnelheid erosie op, vooral als er veel waterafvoer is. Aan dit verschijnsel hebben we de steilwanden met hun interessante profielen te danken. Op een aantal plaatsen is zelfs te zien hoe de bedekkende vegetatie naar beneden is gegleden en hoe bomen vrijwel ontworteld worden.
De meanders kunnen in de loop der tijd door erosie en sedimentatie scherper worden en op haarspeldbochten gaan lijken. Op een gegeven moment kunnen de meanders zelfs afgesneden raken en kan de loop van de rivier veranderen. Door deze verschijnselen vormt de Dinkel een mooi voorbeeld van een veranderend landschap.

Erosie, sedimentatie en meanderen
Links: erosie in de buitenbocht en sedimentatie in de binnenbocht. Rechts: een meanderende Dinkel.

We bereiken de Dinkel bij het Lutterzand vanaf de snelweg A1 (Amsterdam-Duitse grens), afrit 34 naar De Lutte. Via de N735 (Bentheimerstraat) richting De Lutte en na ongeveer 1300 meter rechtsaf, richting Lutterzand (Beuningerstraat). Na ongeveer 2400 meter rechtsaf, de Lutterzandweg in. Bijna een kilometer verder, net na de brug over de Dinkel, ligt rechts een parkeerplaats bij restaurant Paviljoen Lutterzand.
In het natuurreservaat Lutterzand zijn wegen en paden vrij toegankelijk om te wandelen. Omdat in de oevers van de Dinkel oeverzwaluwen en de ijsvogel broeden en mede door de kwetsbaarheid van het gebied in het algemeen, zijn de oevers van de rivier niet overal van dichtbij te benaderen en daardoor slechts op enkele plaatsen goed te bekijken.

(De bereikbaarheid van locaties kan in de loop der tijd veranderen.)

Tekst en foto's: Jan Weertz

© De Belemniet