De Belemniet

Home

Onderwerpen

Producten

Excursiepunten

Contact

Links

Over ons

Sitemap

Bliksembuizen ofwel fulgurieten

Onweer: een natuurverschijnsel dat geologische sporen nalaat

Al tijdens mijn jeugd leerde ik een zeker ontzag hebben voor onweer. Ik woonde destijds in de Maasvallei in Zuid-Limburg. Aan de overkant van de weg begonnen oude hoogstamboomgaarden met daarachter het hellingbos. Vooral in de late avond en nacht, als het donker was, had dat flitsen en donderen iets ontzagwekkends. Soms volgde op een flits al meteen een zeer harde knal: de bliksem was dichtbij ingeslagen. En een paar keer was dat wel heel erg dichtbij. Tot twee keer toe was ’s morgens te zien hoe in de boomgaard aan de overkant van de weg zo’n grote, oude kersenboom door inslaande bliksem min of meer uit elkaar was gespat. Een andere keer lag verderop een dode koe tussen de bomen. Met zulke ervaringen hoefde dan ook niemand je te leren dat je tijdens onweer beter binnen kon blijven. Verscheidene jaren later belde een oom uit het buurdorp me op. Of ik iets bijzonders wilde zien; de bliksem was op zijn boerderij ingeslagen … … Wat bleek, oom was in de keuken toen de bliksem via het stopcontact naar binnen kwam. Meteen maakte hij zich uit de voeten en snelde naar de woonkamer waar toen de bliksem achter de televisie opnieuw insloeg. Door het natuurgeweld spatten de vloertegels uit elkaar en schoten door de kamer (afbeelding 2). Oom wist van de camera die ik van de opbrengst van mijn vakantiebaan had gekocht. Dit wilde ik zeker vastleggen … … Deze inslaande bliksem maakte in ieder geval duidelijk dat het tijdens een onweersbui binnenshuis ook niet helemaal veilig was. 

bliksem - bliksemschichten Maasdal
Afbeelding 1. Bliksemschichten tijdens een onweersbui in het Maasdal in Zuid-Limburg

De verschijnselen verklaard 

In bliksemschichten (afbeelding 1) kan de temperatuur zo’n 30.000° Celsius bereiken. Doordat deze temperatuur in een fractie van een seconde bereikt wordt, zet de lucht explosief uit. Daardoor ontstaat een schokgolf die wij als donder horen. Dit geluid plant zich met een snelheid van 330 – 340 meter per seconde voort. Als de tijd tussen de flits en het horen van de donder dus minder dan één seconde is, dan is de inslag dus heel dichtbij geweest. Is het tijdsinterval drie seconden dan heeft de inslag zo’n kilometer verderop plaatsgevonden. Het bijna gelijktijdig plaatsvinden van flits en donder in het geval van die oude kersenbomen verklaart dus goed de korte afstand tot de ‘onheilsplek’. Door de ontzettend hoge temperatuur in de bliksemschicht zijn de sappen in die kersenbomen in een fractie van een seconde verdampt. Die overgang van vocht naar damp betekende een enorme volumevergroting met als gevolg een zeer hoge druk die de bomen dus uit elkaar liet spatten. Die explosieve verdamping is ook medeverantwoordelijk voor de rondspattende tegels in de woonkamer van de boerderij (afbeelding 2). Zaken zoals beton en tegels kunnen namelijk ook een kleine hoeveelheid vocht bevatten die op plotselinge, extreme hitte net zo reageert als de sappen in de bomen. En dat de bliksem twee keer direct na elkaar op de boerderij insloeg, is ook niet zo vreemd. Bliksem kan immers in korte tijd meerdere keren op dezelfde plek inslaan als de lading van de onweerswolk niet in één keer is ontladen. 

fulgurieten blikseminslag
Afbeelding 2. Linker foto: een (stukje) fulguriet, afkomstig van het Kootwijker Zand in de provincie Gelderland (links op de foto). De pijpjes van door ijzerverbindingen roodgekleurd zand uit Twente (rechts op de foto) worden soms aangezien voor fulgurieten maar ze zijn dit niet. Ze zijn waarschijnlijk ontstaan rond (inmiddels vergane) worteltjes van de vegetatie. De speld (3 cm) laat zien dat zulke stukjes fulguriet heel klein kunnen zijn. Rechter foto: Na de blikseminslag op de boerderij .... ....

Van bovengronds naar ondergronds: bliksembuizen ofwel fulgurieten 

Blikseminslagen bij bomen en gebouwen zijn duidelijk zichtbaar. Als de bliksem echter rechtstreeks in de bodem slaat, is dat meestal minder goed te zien. We kunnen schroeiplekken in de bodemvegetatie vinden, maar het kan ook zo zijn dat er zo goed als niets te zien is. De meeste kans op goede sporen van zo’n inslag in Nederland en omgeving hebben we bij zandige gronden zoals stuifzanden en het strand. Als de bliksem er in de bodem slaat, zal het zand op het pad van de bliksem in de bodem door de intense hitte smelten waarbij verder de zandkorrels eromheen aan elkaar vast gesmolten worden. Op die manier ontstaat in de bodem een – soms vertakte - bliksembuis ofwel fulguriet.

fulgurieten
Afbeelding 3. Deze (stukken van) fulgurieten (links) zijn veel groter dan de fulguriet van afbeelding twee (vergelijk met de speld die 3 cm is). Ze zijn afkomstig uit  de Marokkaanse provincie Es-Semara (Westelijke Sahara). De foto rechts biedt een kijkje in de bovenste van deze twee fulgurieten. We kunnen de gladde binnenwand zien waar aan de buitenkant half gesmolten zandkorrels aan vast kleven.

Hoe zien fulgurieten eruit? 

Fulgurieten hebben meestal een doorsnede van enkele millimeters tot enkele centimeters. Binnenin zijn deze buizen van natuurlijk glas (de gesmolten kwartskorrels van het zand) hol met een vaak gladde wand terwijl de buitenkant ruw is door die gesmolten zandkorrels (afbeelding 3). Hun lengte kan variëren van enkele meters tot meer dan tien meter. Een bliksembuis die direct ten zuiden van Zuid-Limburg, in het Belgische Hergenrath, door leden van de Nederlandse Geologische Vereniging in 1959 en 1960 werd opgegraven, is ruim dertien meter lang. Een nog langer exemplaar van achttien meter werd in 2016/2017 in België bij Gent aangetroffen. 

Meestal worden alleen maar stukjes van een fulguriet gevonden 

Gezien het grote aantal blikseminslagen dat ieder jaar plaatsvindt, moeten er heel wat fulgurieten gevormd worden. Het vinden van zo’n complete bliksembuis is echter een zeldzaamheid. Meestal gaat het om de vondst van kleine fragmenten ervan. Fulgurieten zijn namelijk relatief broos en het gedeelte ervan dat aan/nabij de oppervlakte is ontstaan raakt al snel bedekt of wordt in stukjes verstoven. Je moet bij toeval net op een plek komen waar kort ervoor een fulguriet na een blikseminslag ontstaan is en dan die plek ook nog als zodanig herkennen. Een mooi voorbeeld van zo’n vondst wordt door de Nederlandse bioloog Nico Tinbergen beschreven in zijn artikel ‘een bliksembuis’ dat in 1942 in het tijdschrift De Levende Natuur verscheen. Tinbergen deed deze vondst toen hij met een groep mensen op het Hulshorster Zand (afbeelding 4) op de Veluwe aan het wandelen was. Daarbij merkte hij enige vreemde dingen op de bodem op: stukjes van een fulguriet. Bij het verwijderen van het zand – waarschijnlijk om nog meer stukjes te vinden – stuitte hij op het vochtige zand onder het drogere oppervlaktelaagje “op een harde verticale ader” die in delen werd opgegraven omdat het ondoenlijk was om de hele, fragiele bliksembuis in een keer vrij te leggen. De bliksembuis van 2,35 meter werd daarna overgebracht naar het Geologisch Museum in Leiden (nu in de collectie van het Naturalis Biodiversity Center, eveneens in Leiden). En het is zoals Tinbergen schrijft: “Door een bijzonder toeval hadden we dus de plaats gevonden, waar zeer kort voordien de bliksem in het zand was geslagen. In het stuivende duin zou hij niet lang intakt gebleven zijn.” Met de vondst van een stukje van zo’n fulgeriet (dat net zoals het geheel meestal gewoon ‘fulguriet’ genoemd wordt) mag je je dus al gelukkig prijzen. 

Hulshorster Zand fulgurieten
Afbeelding 4. Het Hulshorster Zand waar Nico Tinbergen de fulguriet van 2.35 meter opgroef.

Voorkeur voor lagere gedeelten van het terrein 

De kans om fulgurieten aan te treffen is overigens het grootste in de lagere gedeelten, in zandverstuivingen in de dalen tussen de zandheuvels omdat je daar het dichtst bij de vochtige grond en het grondwater zit dat de elektrische lading van de bliksem het beste kan geleiden. Dat is niet alleen in Nederland maar ook elders in Europa en verder ter wereld is geconstateerd. 

Voor het schrijven van dit item is (in willekeurige volgorde) van de volgende literatuur gebruik gemaakt. 

• G.M. Roding en J.G. Zandstra, Fossiele bliksems, Grondboor & Hamer, 1955, Nederlandse Geologische Vereniging 

• N. Tinbergen, Een bliksembuis, De Levende Natuur, 47 (6) 87-92 (1942), uitgeverij Versluys 

• P. van der Lijn, Het Keienboek, N.V. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1963 

Wikipedia, pagina over fulguriet (versie 7 februari 2026) 

Bliksembuis Hulshorsterzand (fulguriet), pagina op website Naturalis Biodiversity Center (versie 8 februari 2026) 

• Wim de Maeseneer, Boom versplinterd na blikseminslag – hoe kan dat, website VRTNWS (versie 11 februari 2026) met tekst van 2 juli 2024 

• Sarah van Gorp, Onweer uitgelegd: van wolk tot inslag, website Infoplaza (versie 11 februari met blog van 8 juli 2025) 

• Mahmut Mat, Fulgurites, website Geologyscience (versie 9 februari met artikel van 23 november 2025)

Tekst: Jan Weertz
Foto's: Jan en Els Weertz
© De Belemniet