|
|||||||||||||
Geologie van TexelGeologisch gezien is het 170 vierkante kilometer grote Texel nog een jong eiland. Overal op het eiland zijn sporen van de dynamiek van de landschapsvorming te zien. En wat we vandaag kunnen zien, is morgen soms alweer verdwenen. Rondtrekken op Texel is dan ook vaak speuren naar geologische buitenkansjes. Voor dat rondtrekken hoeven geen grote afstanden afgelegd te worden. Texel is ongeveer 24 km lang en bijna 10 km breed.
De ontstaansgeschiedenis Hoewel tijdens het voorlaatste glaciaal (Saalien) bestaande afzettingen in het gebied gestuwd werden en er morenemateriaal werd afgezet, was er nog altijd geen sprake van het ontstaan van Texel. De aanzet daartoe vond namelijk pas plaats aan het einde van het laatste glaciaal (Weichselien). De zeespiegel lag toen zo'n 100 tot 130 meter lager dan nu, doordat grote hoeveelheden zeewater destijds als ijs waren opgeslagen. Daardoor lag het zeegebied waar nu Texel is in die tijd droog. Toen ongeveer 13.000 jaar geleden de temperaturen in het algemeen wat hoger kwamen te liggen, begonnen de landijsmassa's af te smelten. Daardoor steeg de zeespiegel. Ongeveer 5000 jaar geleden was de zeespiegel echter nog steeds zo'n vijf meter lager dan tegenwoordig. Wel zorgden de golven er toen al voor dat op veel plaatsen ter hoogte van de huidige kustlijn zand werd opgehoopt waardoor langgerekte zandbanken (strandwallen) ontstonden. Dit gebeurde ook aan de westkant van het huidige Texel. Morenemateriaal uit het Saalien dat er op een aantal plaatsen aan of nabij de oppervlakte voorkwam, had een positieve invloed op het ontstaan van die zandbanken. Het was namelijk vrij taai waardoor het niet zomaar wegspoelde. Doordat de strandwallen boven het water uitstaken, konden er duinen op ontstaan. Hierdoor konden ze meer weerstand tegen de zee bieden en ontstond er vegetatie. Ter plaatse hoopte zich van het vasteland komend zoetwater op, omdat door de stijgende zeespiegel de afvoer ervan stagneerde. Dit leidde tot veenvorming. Door de geleidelijk stijgende zeespiegel overstroomde het veengebied regelmatig. Dat leidde tot kwelderachtige omstandigheden. Ongeveer 1000 jaar geleden werden grote delen van de strandwallen weggeslagen toen de zeespiegel sneller steeg. Hierdoor kwam veel zand vrij dat als grondstof diende voor een nieuwe duinenreeks. Deze duinen kennen we als de 'nieuwe duinen'. Deze duinvorming had zo'n 600 tot 400 jaar geleden zijn hoogtepunt. Tijdens de Vroege Middeleeuwen zag het Waddengebied er in de omgeving van Texel nog heel anders uit dan nu. Texel en Vlieland vormden via een groot veen- en moerasgebied nog één geheel met Noord-Holland. Terschelling en Ameland waren met Friesland verbonden. Waar zich nu de Vliestroom bevindt, bestond destijds een zeegat dat in verbinding stond met het Almere, dat later Zuiderzee en nog later IJsselmeer ging heten. Door de zeespiegelstijging en diverse stormvloeden tijdens de Volle Middeleeuwen drong water via de zeegaten (die de mondingen vormden van onder andere de Zype, de Hunze en de Eems) in het gebied achter de strandwallen door, waardoor daar de veenpakketten en kleiafzettingen werden geërodeerd. Het Marsdiep veranderde van een afwateringsstroompje in een diep zeegat waarbij Texel en Wieringen definitief van elkaar gescheiden werden. Het brakke Almere veranderde in de zoute Zuiderzee. Aan het landverlies in die tijd was de mens medeschuldig. Hij had het veen ontwaterd waardoor het inklonk. Het zeewater kreeg er vervolgens meer grip op. De invloed van de zee nam toe en aan het einde van de Middeleeuwen was de Waddenzee dan ook een feit. De waddeneilanden ontstonden en begonnen hun huidige vorm te krijgen.
Rond 1300 was Texel nog een veel kleiner eiland dan nu. Doordat de bewoners steeds meer stukjes kwelder gingen inpolderen, werd steeds meer land gewonnen. Ondanks deze inpolderingen was er meer nodig om de vorm van het huidige Texel te krijgen. Op historische kaarten zien we dat op de plaats van het huidige eiland rond 1600 nog twee eilanden bestonden. Dat waren het oorspronkelijke Texel dat zich rond de morenebult 'de Hoge Berg' had gevormd en ten noorden daarvan het kleinere Eierland dat voornamelijk uit duinen bestond. Tussen deze eilanden was destijds een zeegat dat echter steeds ondieper werd. In 1630 werden de twee eilanden verbonden door een stuifdijk, de huidige Zanddijk. Hierbij werden op de droogvallende platen in het zeegat rietschermen geplaatst die veel door de wind verplaatst zand konden opvangen en vasthouden. Daardoor vond duinvorming plaats en kon het gebied ten westen van de dijk verder aangroeien. Om nog meer land te winnen werd in de tweede helft van de negentiende eeuw ongeveer anderhalve kilometer westelijk van de Zanddijk een nieuwe stuifdijk aangelegd: de Lange Dam. Deze verbond het duingebied van de Slufterbollen met de Eierlandse Duinen. Zo'n drie jaar na de aanleg brak deze stuifdijk op twee plaatsen door. Daardoor ontstonden twee diepe geulen - de Grote en de Kleine Slufter - waarmee de zee weer een toegang kreeg tot de strandvlakte achter de stuifdijk. De Grote Slufter wist men uiteindelijk te sluiten. De Kleine Slufter daarentegen werd steeds groter. Het lukte maar niet om hem te definitief te dichten. De laatste poging vond in 1925 plaats maar ook dat ging mis. Aan al deze mislukte pogingen danken we het huidige natuurgebied op die plaats. De eerste polder van het oorspronkelijke Eierland ontstond in 1835. Deze dankt zijn bestaan voor een belangrijk deel aan de inzet van de uit Vlaanderen afkomstige ondernemer Nicolas de Cock naar wie het huidige De Cocksdorp is genoemd. Later werden nog andere kweldergebieden ingepolderd waardoor Texel rond 1900 zijn huidige vorm kreeg. Een steeds veranderend landschap De tussen haakjes geplaatste letters in de onderstaande tekst verwijzen naar de locaties in de afbeelding met de kaartjes. Nog voordat we een voet aan wal hebben gezet, maken we al kennis met het veranderend landschap. Om Texel te bereiken, moeten we namelijk vanaf Den Helder per veerboot het enkele tientallen meters diepe Marsdiep oversteken. Ongeveer 1000 jaar geleden was dit nog een moerasgebied dat in drogere perioden tot op zekere hoogte begaanbaar was en zonder boot overgestoken kon worden. Bij helder weer is tijdens de nadering aan de horizon de gele zandvlakte van de Hors te zien die verderop het langgerekte duingebied aan de westkant van Texel vormt. De zuidkant van De Hors staat bekend als de Onrust. Oorspronkelijk was de Onrust een wandelende zandplaat die zich ruim een eeuw geleden bij het eiland aansloot. Voor de aanmeerhaven op Texel ligt De Mok ofwel Mokbaai; een inham van de Waddenzee met bij eb droogvallend wad (a). Rond 1700 bevond zich hier nog de zuidelijke kustlijn van het eiland. Door onder andere de aansluiting van de Onrust bij Texel is de kustlijn nu zuidelijker komen te liggen en is de Mokbaai ontstaan. Aan de westkant van deze inham van de Waddenzee zijn kwelders die de overgang vormen naar het duingebied. Een goede indruk van dit duingebied krijgt men als men westelijk van Den Hoorn (b) via de Hoornderslag naar het strand gaat. Via deze weg rijdt men door jonge duinen met daartussen duinvalleien.
Ongeveer halverwege passeren we een afgesneden strandvlakte: het Groote Vlak (c). Daarna komt opnieuw jong duingebied. Oudere duinen vinden we meer noordelijk. Ze komen voor tussen Den Hoorn en De Koog (d). Wij beperken ons echter tot dit jongere duingebied. Aan het einde van de Hoornderslag komen we aan de duinrand bij het strand. Soms heeft men hier een kijkje in het binnenste van de duinen doordat de mens zand heeft weggestoken of doordat de zee aan de voet van de duinen geknaagd heeft. Dan krijgen we een mooie kriskrasgelaagdheid te zien die typisch is voor duinafzettingen. Tussen strandpaal 9 en 10 (e) liggen op dit strand tussen het zand nogal wat stenen. Dat zijn vooral vuurstenen. Ze zijn afkomstig uit de grondmorene (keileem) die tijdens het Saalien door de gletsjers naar hier is aangevoerd. Soms treffen we er door de zee losgespoelde veenresten aan. Dat Texel nog jong is, wordt duidelijk als we de kust en de duinen achter ons gelaten hebben. Bij Den Hoorn is te zien dat de zee in het niet zo verre verleden nog aanwezig was. In onbegroeide sloothellingen zijn grijze, zandige afzettingen met schelplagen aanwezig. Ongeveer halverwege tussen Oudeschild (f) en Den Burg (g) ligt de Hoge Berg (h) die al van ver herkenbaar is als een lage heuvel (tot 15 meter boven NAP). De Hoge Berg bestaat uit gestuwde pleistocene afzettingen met daarbovenop keileem die net als de stenen op het strand bij strandpaal 9 en 10 afkomstig is van de gletsjers uit het Saalien. Een deel van de Hoge Berg wordt ingenomen door een bospartij waarin zich een oude zand- en leemgroeve bevindt. Van een profiel waarin de afzettingen bekeken kunnen worden, is niet veel meer te bekennen. Alleen is hier en daar bovenin de groeve nog dekzand te zien. Hoewel we de keileem niet zien, zijn er wel aanwijzingen dat deze in de omgeving in de bodem zit. We treffen namelijk kolken aan. Dat zijn drinkpoelen van meerdere meters doorsnede waarin het regenwater blijft staan omdat het door de keileem in de bodem niet kan wegzakken. We vinden zulke kolken onder andere langs de N501 zuidwestelijk van Den Burg. Ook bij Den Hoorn wijst de aanwezigheid van kolken op keileem in de bodem. We treffen ze onder andere aan langs de Kleiweg/Hoornderweg ten oosten van Den Hoorn.
Ten noorden van Oosterend (i) en Oost (k) ligt aan de kust het vogelreservaat De Schorren (m). Dit bestaat uit direct aan het land grenzende kwelders (die regionaal schorren genoemd worden) en slikken die wat verder naar zee liggen. De kwelders ontstaan in feite uit de slikken. De slikken lopen bij vloed steeds weer onder water. Als het water zich bij eb terugtrekt, blijft steeds wat slib achter. Hierdoor komen de slikken steeds iets hoger te liggen waardoor ze op een gegeven moment kunnen overgaan in begroeide kwelder die ook bij hoog water droog blijft. De Schorren zijn een duidelijk voorbeeld van het steeds weer veranderende Texel. Hoewel het terrein zelf niet vrij toegankelijk is, heeft men vanaf het hoger gelegen pad een goed uitzicht op het reservaat met zijn kwelders en slikken. Nog noordelijker ligt De Cocksdorp (n). Wie hier de Stengweg naar de vuurtoren volgt, krijgt vlakbij de kust weer een goede indruk van het duinlandschap. Iets verderop liggen strand en zee bij het Eijerlandse Gat. Dit is het noordelijkste punt van Texel. Aan de overkant van het Eijerlandse Gat is bij helder weer Vlieland zichtbaar. In de Romeinse tijd bevond zich hier net zoals bij het Marsdiep een moerasgebied (veen).
Vanaf De Cocksdorp kunnen we naar natuurreservaat De Slufter (o) gaan. Daar is bovenop de duinen een uitkijkpunt waar men een overzicht over een belangrijk deel van het gebied heeft. Aan de horizon is de doorbraak van de Noordzee in de duinen te zien. Vanaf hier kan men via het trappenpad aan de andere kant van de duinen het gebied zelf betreden. Onderaan de trappen kan men in de richting van het strand gaan waar de Kleine Slufter in zee uitmondt. De Slufter ligt ongeveer op de grens van het oorspronkelijke Texel met Eierland. Het natuurgebied bestaat uit kreken en kwelders die goed te bekijken zijn als men in de richting van het strand loopt. Doordat het in open verbinding met de zee staat, kan bij vloed het zeewater gemakkelijk het krekenstelsel binnendringen. Bij eb valt een groot deel van deze kreken droog. Op sommige plaatsen is dan in het kreekprofiel te zien hoe de kweldervegetatie met haar bruine bodemvorming is ontstaan op de slikafzettingen. Verderop in de richting van de zee komt men in het duingebied en bij de doorbraak van de zee in de duinen. De vlakte is hier vrij zandig. Verder naar het noorden in het Sluftergebied waar de stroomsnelheid geringer is, komen vlakten voor waarop net zoals bij De Schorren slib kan bezinken. Ook bij de Slufter hebben we met een dynamisch landschap te maken waarin verandering aan de orde van de dag is. Dit item over Texel is een deels gewijzigde en ingekorte versie van het artikel (Texel: een eiland gevormd door ijs, water, wind en mens) dat we hierover in Grondboor & Hamer, Jaargang 65, nummer 1 - 2011 publiceerden. Het artikel in Grondboor & Hamer bevat een meer uitgebreide beschrijving om de afzonderlijke locaties te vinden. Bij de beschrijving van de locaties is sprake van momentopnames. De kans bestaat dat situaties en het aanzien op een later tijdstip niet meer hetzelfde zijn. Beschouw de vindplaatsgegevens dan ook als richtlijnen die in mindere of meerdere mate veranderd kunnen zijn. Bepaal zo nodig vooraf aan de hand van kaarten of de beschreven situatie overeenkomt met de werkelijkheid. Tekst
en foto's: Jan en Els Weertz |
|||||||||||||
© De Belemniet |