De Belemniet

Home

Onderwerpen

Producten

Excursiepunten

Contact

Links

Over ons

Sitemap

De oostelijke Noordzeekust

 Het kustgebied van Noorwegen tot Frankrijk

De Noordzee en haar kustgebieden zoals we die nu kennen, hebben er niet altijd zo uitgezien. Eigenlijk is het zo dat het Noordzeebied steeds aan verandering onderhevig is. Het gebied zoals we het nu zien is dus in feite een momentopname.

Het geologische verhaal van de Noordzeekust is een gecompliceerd verhaal dat niet zo eenvoudig op een overzichtelijke manier te vertellen is. Er spelen heel veel factoren een rol. Door op al die factoren in te gaan en alles te benoemen, ziet men op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer en raakt het overzicht zoek. Om toch een overzichtelijk geheel te geven zijn heel wat concessies aan de volledigheid gedaan. Om een idee te geven van de complexiteit is hier en daar bij de afbeeldingen wat dieper op bepaalde deelgebieden ingegaan of wordt verwezen naar pagina’s op deze website die dieper op een bepaald gebiedsdeel ingaan. 

Over het Noordzeebekken en dikke pakketten sediment
De Noordzee en aangrenzende delen van Nederland, België, Groot-Brittannië, Denemarken en Duitsland liggen in het zogenaamde Noordzeebekken. Dit Noordzeebekken is een uitgestrekt dalend gebied dat zich aan het begin van het Tertiair (Paleogeen) – dus zo’n 66 miljoen jaar geleden – begon te vormen. De verdere daling van dit bekken vindt nog steeds plaats. Dit wil niet zeggen dat de Noordzee daardoor steeds dieper wordt. Van hoger gelegen gebieden in vooral België, Duitsland en Frankrijk zijn in de loop der tijd door rivieren zoals de Rijn, Maas en Elbe grote hoeveelheden sedimenten (zand, klei en grind) aangevoerd die in het bekken terechtkwamen. Sinds het ontstaan van het Noordzeebekken hebben deze sedimenten plaatselijk al een dikte van meer dan 3½ kilometer bereikt. 

Glacialen en het dalen en stijgen van de zeespiegel
Om te illustreren hoe het Noordzeegebied constant verandert, hoeven we niet helemaal naar het begin van het Paleogeen terug te gaan. In grove lijnen valt dat namelijk al te schetsen als we aanvangen met het voorlaatste glaciaal, het Saale-glaciaal dat van 238.000 tot 128.000 jaar geleden duurde. Tijdens dit glaciaal waren grote delen van Europa bedekt door een uitgestrekte en dikke ijskap met honderden meters dikke gletsjertongen. De zuidelijke grens van dit ijsgebied liep onder andere door Duitsland en het midden van Nederland. Ook een groot deel van het Noordzeegebied zoals we dat nu kennen, was erdoor bedekt. Doordat tijdens het glaciaal heel veel water in de vorm van ijs was opgeslagen, lag de zeespiegel een stuk lager. Waar nu Zeeland ligt, was toen dan ook geen Noordzee die het oversteken kon belemmeren naar het zuiden van wat nu Groot-Brittannië is. Maar of men daarbij droge voeten zou houden, is nog maar de vraag. Het water van de vroege Rijn, Maas, Schelde en Theems stroomden er namelijk zuidwaarts naar Het Kanaal. Kortom, het Noordzeegebied leek toen in niets op wat we tegenwoordig als zodanig kennen. 

Na het Saale-glaciaal kregen we een warmere periode, het Eem-interglaciaal. Veel gebieden die eerst droog lagen, liepen onder water. Nederland en Groot-Brittannië werden weer door de zee gescheiden. Maar het werd opnieuw koud toen rond 116.000 jaar geleden het Weichsel-glaciaal begon. Het landijs bereikte weliswaar Nederland niet maar doordat veel water weer in de vorm van ijs werd opgeslagen, kon vanaf hier naar Groot-Brittannië worden overgestoken. Vanuit het zuiden van ons land was het natuurlijk wel vervelend dat daar weer het water van die Rijn, Maas, Schelde en Theems was … … 

De Noordzee zoals we hem nu kennen, bestaat geologisch gezien dus nog niet zo lang. Zijn huidige vorm kreeg hij pas aan het einde van het Weichsel-glaciaal, ongeveer 11.500 jaar geleden. Maar ook dat gebeurde niet van het ene moment op het andere. Zo lag de zeespiegel rond 8000 jaar geleden nog zo’n 20 meter lager dan nu. Maar om in Groot-Brittannië te komen, zou men alweer moeten zwemmen. Daarna bleef de zeespiegel nog relatief snel stijgen tot zo’n 6000 jaar geleden. En daarbij kwam steeds meer land onder water te staan waardoor de kustlijn steeds veranderde. De huidige Noordzee ontstond. Toch kwam er geen rust want tot in onze tijd kwam er nog zo’n vijf meter zeespiegelstijging bij. En ook nu blijft de zeespiegel nog stijgen … … 

Ligging en diepte van de Noordzee
De Noordzee ligt voornamelijk op het continentaal plat. Hij grenst aan het westen van Denemarken en het noordwesten van Duitsland, aan het westen van Nederland, België en Frankrijk tot aan het Nauw van Calais, het oosten van Groot-Brittannië en het zuidwesten van Noorwegen. De gemiddelde diepte ervan is minder dan 100 meter. Alleen een klein stukje in het noorden dat niet meer op het continentaal plat ligt, heeft een diepte van zo’n 700 meter. Ten zuiden van de Doggersbank, die ten noordwesten van het Nederlandse vasteland ligt, is de diepte in het algemeen minder dan 50 meter. Op deze Doggersbank – een grote en hoge zandbank in de zee – is de Noordzee zelfs tot minder dan 15 meter diep. 

gevaarlijke strandvondsten Amrum
Afbeelding 1. Een gevaarlijke strandvondst?

Een gevaarlijke strandvondst?

April 2019. We lopen aan de kust van het Duitse Waddeneiland Amrum. Hier liggen zwerfstenen die tijdens de glacialen vanuit Scandinavië zijn aangevoerd. Tussen deze zwerfstenen ligt op een bepaalde plaats ook een aantal brokkelige bruingrijze bollen die zo te zien langzaam uit elkaar vallen (afbeelding 1: boven). Om welke stenen het hier precies gaat, is onduidelijk. Enkele exemplaren nemen we mee voor nader onderzoek. Eerst worden de stenen gedroogd. Daarbij laten al verscheidene bruine, korstachtige stukjes los. De hardere kern van de stenen blijkt na droging grijs te zijn (afbeelding 1: onder links). In de grijze grondmassa zien we allemaal kleine spikkeltjes. Vreemd! Waar zouden we hier mee te maken hebben? Zouden de geheimzinnige vondsten soms afgeronde en verweerde brokken metselspecie zijn? Dan zouden we er kalk in tegen kunnen komen. Met een hamer wordt vervolgens zo’n kern verpulverd. Dat gaat nog niet zo gemakkelijk want het spul blijkt inderdaad erg hard te zijn. Maar uiteindelijk houden we dan toch een hoopje met kleine, brokkelige stukjes gruis over (afbeelding 1: onder rechts). Die doen we in een bakje met verdund zoutzuur. Onmiddellijk volgt een reactie: het zoutzuur gaat flink bruisen. Dat betekent dat er kalk in het gruis zit. Na een tijdje is de reactie afgelopen. Nadat we het aldus verkregen restant van het gruis schoongespoeld en gedroogd hebben, blijft een goedje over dat er als zand uitziet. Zouden onze vondsten dan inderdaad uit metselspecie bestaan? Dat lijkt nu erg waarschijnlijk. Niet veel later zien we op de Duitse televisiezender ARD een in dit verband interessante uitzending: Die Story im Ersten: Bomben im Meer. Het blijkt dat op het strand allerlei ondefinieerbare zaken gevonden kunnen worden die met explosieven en ander gevaarlijk spul uit de oorlog te maken kunnen hebben. En die zaken kunnen verdacht veel op ‘gewone’ stenen lijken. Hebben wij daar op Amrum dan wellicht toch iets gevonden wat niet zo onschadelijk is als het lijkt? Hebben we nu iets gevaarlijks in huis? Om het zekere voor het onzekere te nemen, sturen we een mail met foto’s naar het Maritimes Sicherheitszentrum – Wasserschutzpolizei in Cuxhaven in Duitsland. Al meteen volgt een reactie. Onze mail is doorgestuurd naar de Kampfmittelräumdienst des Landes Schleswig-Holstein. Dat is zoiets als de EOD in Nederland. Tot er nader bericht is, wordt ons aangeraden om zeer voorzichtig met de vondst om te gaan en ons niet aan onnodig gevaar bloot te stellen. Iets later komt dan het verlossende bericht: er is geen gevaar. Bij onze vondsten gaat het hoogstwaarschijnlijk inderdaad om verweerde metselspecie. Maar het had dus ook anders kunnen zijn … … Het mag in ieder geval duidelijk zijn dat je toch altijd voorzichtig moet zijn met wat je op het strand opraapt en meeneemt. De zee kan vreemde dingen aanspoelen. Trouwens, werken met zoutzuur is ook niet geheel ongevaarlijk. Begin daar ook niet aan als je er geen verstand van hebt.

Gevaarlijke strandvondsten

Aan de kust lopen altijd wel mensen te zoeken naar interessante zaken die aangespoeld zijn. Vaak gaat het daarbij om schelpen, maar ook stenen - en dan vooral barnsteen -  zijn een gewild verzamelobject. Het verzamelen van strandvondsten is echter niet altijd zonder gevaar. Dit komt doordat regelmatig oorlogsmaterieel (explosieven, munitie en ander gevaarlijk spul) op het strand aanspoelt. Zo moet in het Duitse deel van de Noordzee en Oostzee meer dan 1.6 miljoen ton liggen. Hoeveel aan de kusten van de andere landen ligt, is niet te zeggen. Daarbij gaat het niet alleen om patronen van allerlei kaliber, maar bijvoorbeeld ook om handgranaten, bommen, zeemijnen en torpedo’s. Deze zaken zijn rond het einde van de beide wereldoorlogen hier door Duitse eenheden gedumpt omdat ze niet wilden dat ze in handen van de vijand vielen. Later werden nog zulke dumpingen op bevel van de bezettingsmachten uitgevoerd. In de loop der tijd is dit oorlogsmaterieel aan verval onderhevig geweest. Door contact met het zoute zeewater is het flink gaan roesten. En ook de werking van de getijden en de golven hebben het geen goed gedaan. Daardoor kon de inhoud vrijkomen of kon het oorlogsmaterieel zelfs helemaal uit elkaar vallen. Op de Noordzeestranden – en dan vooral de Duitse stranden – worden regelmatig zulke wapenvondsten gedaan. Naast verroest – en daardoor vaak instabiel en gevaarlijk – oorlogsmaterieel, gaat het vooral om de inhoud ervan zoals fosfor en een explosief dat in Duitsland bekendstaat als Schießwolle. Wat deze inhoud vooral zo gevaarlijk maakt, is dat hij lijkt op natuurlijke stenen die door verzamelaars opgeraapt worden. Zo lijkt de fosfor uit brandbommen sterk op barnsteen. Aangespoelde brokjes fosfor worden daardoor nogal eens opgeraapt en als ‘mooie barnsteenvondst’ in de broekzak of jaszak gestopt en meegenomen. Daar komen ze bij temperaturen boven de 20 graden tot ontbranding. Ze worden dan vloeibaar en verbranden bij een temperatuur van 1300 graden Celsius. De verzamelaar staat dan in brand. Slachtoffers proberen de fosfor soms in een reflex uit hun broekzak te verwijderen maar doordat het goedje vloeibaar is geworden, lukt dat niet en plakt het brandende spul (dat zich niet met water laat doven) aan de handen. Duitse ziekenhuizen in de kustgebieden krijgen regelmatig met zulke fosforslachtoffers te maken. Schießwolle is een springstofmengsel dat in 1936 bij de Duitse Wehrmacht werd ingevoerd. Men paste het vooral toe bij zeemijnen en torpedo’s. Stukken Schießwolle kunnen behoorlijk lijken op kalkconcreties, gesteenteconglomeraten, pyriet en markasiet. Schießwolle is niet alleen explosief, het is ook giftig. De gifstoffen erin worden door de huid opgenomen en kunnen vochtige en blaasachtige huiduitslag veroorzaken. In extreme gevallen kunnen zelfs delen van de huid loslaten. Bovendien is het mengsel giftig voor de lever en kankerverwekkend. Ook kan het genetische schade veroorzaken. Meer over deze en andere gevaarlijke strandvondsten van onze Noordzeestranden kan gelezen worden in het Duitstalige boekje Gefährliche Strandfunde van Frank Rudolph e.a. Het is een uitgave van Wachholtz Verlag – Kiel/Hamburg 2015.

Een verscheidenheid van kustlandschappen
Voordat de Noordzee zijn huidige vorm kreeg, hadden we dus met glacialen te maken. Het ijs groef daarbij als een bulldozer diepe geulen uit en schraapte rotsen af. Dat leverde een ruig landschap op dat we nu nog in de aan de Noordzee grenzende delen van Noorwegen en het noordelijk deel van Groot-Brittannië (Schotland) tegenkomen. De geulen, die na de glacialen onder water liepen, vinden we er terug als fjorden. Verder naar het zuiden voerde het ijs vooral sediment aan en is het kustlandschap een stuk vlakker. De Noordzee heeft er veel meer invloed op de vorming van het landschap dan in de ruige noordelijke gebieden. Om een indruk te geven van de verscheidenheid van de kusten langs de Noordzee, zullen we een aantal daarvan wat nader bekijken. 

waddenkust - waddengebied - Land van Saeftinghe Afbeelding 2. De ligging van de Waddeneilanden aan de Deense, Duitse en Nederlandse kust (links). Locatie van het Verdronken Land van Saeftinghe (rechts, sterretje) in de Nederlandse provincie Zeeland bij de grens met België.

Fjorden 

In het aan de Noordzee grenzende bergachtige deel van Noorwegen komen we fjorden (afbeelding 3) tegen. Deze fjorden zijn uitgesleten door het landijs tijdens de glacialen. Vaak hebben ze steile, hoge hellingen en soms is aan het begin ervan nog te zien hoe het landijs of de gletsjer zijn uitschurende werk in de diepte heeft uitgevoerd. Fjorden kunnen meerdere honderden meters diep zijn en hun lengte bedraagt vaak meerdere tientallen kilometers. Het Sognefjord dat in de Noordzee uitmondt, is zelfs iets meer dan 200 kilometer lang. Daarmee neemt het de derde plaats in bij de langste fjorden te wereld. Door deze fjorden – die een voortzetting zijn van de kustlijn – heeft Noorwegen met meer dan 25.000 kilometer de langste kust van Europa. Fjorden kunnen bij hun monding in de zee minder diep zijn dan meer landinwaarts. Dit komt door het meegevoerde gesteentepuin (eindmorene) dat gletsjers er bij hun terugtrekking achterlieten. Als bijzonderheid moet hier nog vermeld worden dat het Noorse fjordengebied prachtige koraalriffen met vele soorten koraal en andere bijzondere levensvormen heeft. Koraal komt namelijk niet alleen in warme, tropische wateren voor. Het koude water bij de fjorden maakt dat wel duidelijk. 

Fjorden in Noorwegen Afbeelding 3. Aan de kust van Noorwegen vinden we veel fjorden.  Kustgebieden met fjorden zien er heel anders uit dan bijvoorbeeld een duinenkust of een waddenkust. Bij de bovenste foto is goed te zien tot waar het gletsjerdal zich heeft opgevuld met water.

Waddenkust 

Van Esbjerg in Denemarken tot Den Helder in Nederland ligt een waddenkust. De strook tussen de Noordzee en het vasteland kennen we er als de Waddenzee. Een groot deel van deze waddenkust bestaat uit een getijdengebied met slikken en zandbanken. Ook komen we er meerdere eilanden en kweldergebieden tegen. Tussen de slikken en zandbanken liggen prielen (geulen). De slikken, zandbanken en prielen zien we alleen bij eb. Bij vloed staat het gebied onder water. 

Diversiteit in het Waddengebied
Bij het getijdengebied van de waddenkust is zeker geen sprake van een gebied dat overal hetzelfde is. Afhankelijk van de ligging bij open zee, bij een Waddeneiland, bij een estuarium of bij een lagune kan bijvoorbeeld het zoutgehalte van het water verschillen. Ook kunnen er verschillen zijn in de grootte van de prielen, kan het sediment iets anders van samenstelling zijn en kan er een verschil zijn bij de sedimentverplaatsingen. Zo zal in de delen van het waddengebied waar geen Waddeneilanden aanwezig zijn de invloed van de Noordzee groter zijn. Het is ook vooral hier waar zeer grote prielen voorkomen.

Dollard Afbeelding 4. De Dollard
Het Waddengebied heeft een verscheidenheid aan landschappen. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we bij De Dollard op de grens van Nederland met Duitsland bij Groningen. Ga voor het verhaal van De Dollard naar de pagina Geologie van de Dollard op deze website.

Waddeneilanden in een dynamisch landschap
Na het laatste glaciaal vond door de afwisseling van eb en vloed en door golfwerking sedimentatie in het kustgebied plaats waardoor het waddengebied ontstond. Ook ontstonden strandwallen maar die vormden geen ononderbroken lijn. Ze werden van elkaar gescheiden door getijdegeulen die in verbinding stonden met het waddengebied. De geschiedenis van het ontstaan van de Waddeneilanden (afbeelding 2) is niet in enkele woorden te schetsen. Bovendien is ze niet overal in het gebied hetzelfde. Losse stukken strandwal hebben echter vrijwel zeker bijgedragen aan het ontstaan van Waddeneilanden. Maar daar is dus niet alles mee gezegd. Wie er kaarten met reconstructies van het landschap uit verschillende tijden in het Holoceen op naslaat, zal zien dat de Waddeneilanden lang niet altijd hetzelfde van vorm waren en dat ze ook niet altijd op dezelfde plek lagen. Ook de opdeling van een eiland in meerdere eilanden onder invloed van bijvoorbeeld stormvloeden in het verleden is mogelijk. Het mag duidelijk zijn dat de Waddeneilanden deel uitmaken van een landschap met een levendige dynamiek. 

op Amrum
Afbeelding 5. Het Duitse Waddeneiland Amrum. Tijdens geologische tochten komt men regelmatig zandsteen tegen. Vaak heeft men dan enig inlevingsvermogen nodig om zich te realiseren dat die zandsteen wellicht ooit deel uitmaakte van een omgeving waar het leven welig tierde. Hier zien we in een kustomgeving met zandafzettingen scholeksters op zoek naar voedsel (links boven) en hoewel we hem niet zien, is hij er wel: de zeepier (boven midden). Links onder en onder midden: Scandinavische zwerfstenen aan de kust van Amrum. Rechts boven en onder: Een bijzondere ontmoeting met een kustbewoner. Deze zilvermeeuw heeft zich aangepast aan de mens in zijn omgeving. Geduldig bleef ze in onze directe nabijheid in de hoop iets te eten te krijgen.

Waddeneilanden aan de Deense kust
De Waddeneilanden vinden we in alle drie de aangrenzende landen. Maar een deel van deze eilanden is bewoond. Denemarken heeft vier Waddeneilanden. Van noord naar zuid zijn dat het onbewoonde Langli en de bewoonde eilanden Rømø, Mandø en Fanø.

De Nordfriesische Inseln aan de Duitse kust
Duitsland heeft heel wat meer Waddeneilanden. Van noord naar zuid vinden we er eerst de Nordfriesische Inseln (Noord-Friese Waddeneilanden) met als bewoonde eilanden Sylt, Föhr, Amrum (afbeelding 5 en 6), Pellworm en na het schiereiland Eiderstedt nog het onbewoonde Trischen. Ingesloten tussen het vasteland en Föhr, Amrum, Pellworm liggen verder de Halligen. Deze Halligen bestaan uit een archipel van kleine eilandjes die nauwelijks tot geen bescherming tegen de zee kennen. De bewoners leven er op terpen omdat de Halligen bij zwaar weer erg overstromingsgevoelig zijn. Door de zeespiegelstijging en toename van zware stormen is ophoging van de terpen momenteel weer aan de orde. Zo was een boerderij die in 1962 op een terp op het hallig Nordstrandischmoor is gebouwd in 2019 in het nieuws. De terp waarop ze stond bleek nu niet hoog genoeg meer te zijn om de veiligheid van de bewoners te garanderen. Tegenwoordig zijn er nog tien Halligen. In het verleden waren het er meer dan honderd. 

eb en vloed bij Amrum en Föhr Afbeelding 6. Bij eb (laagwater) vallen hele stukken rond de Waddeneilanden droog.
Op de foto's boven zien we hoogwater (vloed) en laagwater op dezelfde plek bij het Duitse Waddeneiland Föhr.
De foto's onder laten het verschil tussen hoogwater en laagwater bij Amrum zien.

Waddeneiland Amrum

Amrum (afbeelding 5 en 6) behoort tot de Nordfriesische Inseln (Noord-Friese Waddeneilanden). De ondergrond van het eiland bestaat (net zoals bij de eilanden Föhr en Sylt) uit een dik pakket sediment uit het Pleistoceen. Bij Norddorf in het noorden van Amrum bereikt dit sediment zelfs een dikte van meer dan 30 meter. Het sediment bestaat uit keileem (grondmorene) die hier afgezet is tijdens het Saalien en Elsterien, het op twee na laatste en voorlaatste glaciaal. Tijdens het laatste glaciaal, het Weichselien, zijn de gletsjers van het landijs niet tot bij deze Waddeneilanden gekomen. De keileem van Amrum is afkomstig uit Scandinavië, zo’n 1000 tot 1500 kilometer noordelijker. We treffen er zwerfstenen in aan uit zowel Noorwegen en Zweden als Finland. Op een aantal plaatsen in uitblazingslaagten tussen de duinen liggen dergelijke zwerfstenen aan de oppervlakte, maar ze komen ook op andere plekken zoals het Steenodder Kliff voor. Verder troffen we ze aan de kust aan de zuidkant van het eiland aan. Hoewel de ondergrond van Amrum dus uit pleistoceen sediment bestaat, kreeg het eiland zijn huidige vorm pas tijdens het Holoceen, dat na het laatste glaciaal begon. Ook ontstonden toen duinen aan de Noordzeekust van het eiland.

Husum - Halligen - Sankt Peter Ording
Afbeelding 7.
De kleine havenstad Husum ligt aan de Waddenzee in de Duitse deelstaat Schleswig-Holstein. Ze heeft een getijdehaven. De verschillen bij hoogwater en laagwater zijn er duidelijk te zien (foto's links boven en links onder enerzijds en midden boven en midden onder anderzijds). Foto rechtsboven: Sankt Peter-Ording ligt op het schiereiland Eiderstedt. De plaats heeft een uitgestrekt zandstrand. Je hebt hier wel even nodig om tot aan de zee te lopen. Foto rechts onder: enkele boerderijen op terpen bij de Halligen, gezien vanaf de veerboot naar Amrum.

De Ostfriesische Inseln aan de Duitse kust
Meer naar het zuiden komen we dan een tweede groep van in totaal elf eilanden tegen: de Ostfriesische Inseln (Oost-Friese Waddeneilanden). Van oost naar west zijn dat eerst de onbewoonde eilandjes Neuwerk, Scharhörn en Nigehörn. Daarna volgen de bewoonde eilanden Wangerooge, Spiekeroog, Langeoog, Baltrum, Norderney (afbeelding 8), Juist en Borkum. Ongeveer tussen Juist en Borkum ligt nog het onbewoonde Memmert. 

Norderney
Afbeelding 8. Een impressie van het Duitse Waddeneiland Norderney. De foto links onder laat een zandplaat voor de kust zien die bij eb droogvalt. Onder midden: vissersboot in de Waddenzee tussen Norderney en het vasteland.

Waddeneiland Norderney

Norderney (afbeelding 8) behoort tot de Ostfriesische Inseln (Oost-Friese Waddeneilanden). We hebben hier met een iets ander type Waddeneiland te maken dan bij Amrum en zijn buureilanden. Bij Amrum komen de Pleistocene sedimenten uit de glacialen tot aan de oppervlakte. Bij Norderney zijn zulke sedimenten wel aanwezig maar hier zitten ze dieper. Norderney en zijn omgeving bestaat helemaal uit mariene sedimenten. Het Pleistoceen bevindt zich hier tien en meer meter onder de zeespiegel. We hoeven hier dus niet naar zwerfstenen te zoeken die tijdens de glacialen zijn aangevoerd. Het ontstaan van het huidige Norderney ligt pas enige honderden jaren in het verleden en het getuigt weer van de grote dynamiek die het Waddengebied kenmerkt. Het aantal Ostfriesische Inseln en hun precieze vorm in het verdere verleden is niet geheel duidelijk. De Romeinse schrijver Plinius de Oudere brengt al verscheidene eilanden in het Waddengebied ter sprake maar wat nu waar lag, is niet opgehelderd. Maar al meer dan duizend jaar gelden moeten de Ostfriesische Inseln bestaan hebben uit de eilanden Bant, Borkum, Juist, Buise, Baltrum, Langeoog, Spiekeroog en Wangerooge. In de loop der tijd werden deze Waddeneilanden getroffen door meerdere stormvloeden. Daarbij zou het eiland Bant op 1 november 1170 door de vernietigende Allerheiligenvloed uit elkaar geslagen zijn. Bijna twee eeuwen later, in januari 1363 werd Buise tijdens de tweede Sint-Marcellusvloed (in Duitsland ook wel bekend als de beruchte Große Mandränke) in twee stukken opgedeeld. Op de sokkel van het oostelijk deel daarvan – Oesterende – ontstond later de westkant van het huidige Norderney. De oostkant van Norderney werd gevormd op restanten van de oude westkant van Baltrum dat vroeger een stuk groter geweest moet zijn en dat nu ten oosten van Norderney ligt. Bij het op deze manier ontstaan van Norderney heeft door zeestromingen en de wind aangevoerd zand weer een grote rol gespeeld. Op stukken die tijdens de vloed niet meer overstroomden, kon de vegetatie vat krijgen. Er werd daardoor meer zand opgevangen waardoor zich duinen konden vormen en het huidige Norderney kon ontstaan.

Nederlandse waddeneilanden
Nederland heeft acht Waddeneilanden waarvan er vijf bewoond zijn. Van oost naar west zijn dat het onbewoonde Rottumeroog en Rottumerplaat, dan de bewoonde eilanden Schiermonnikoog (afbeelding 9), Ameland, Terschelling, Vlieland en Texel (afbeelding 10). Ten zuidwesten van Texel ligt dan nog het onbewoonde Noorderhaaks dat ook wel bekend staat als Razende Bol. Verder komen in het Waddengebied nog enkele zandplaten voor maar die zijn te klein om tot de Waddeneilanden gerekend te kunnen worden. 

Schiermonnikoog
Afbeelding 9. Een impressie van het Nederlandse Waddeneiland Schiermonnikoog tijdens een bewolkte dag in de late herfst. De foto onder rechts laat een mistige Waddenzee met slik en prielen bij eb zien tijdens de overtocht terug naar het vasteland.

Waddeneiland Texel
Afbeelding 10. Texel
De geschiedenis van het ontstaan van de Waddeneilanden is niet in enkele woorden te schetsen. Bovendien is ze niet overal in het gebied hetzelfde. Om een idee te krijgen van de complexiteit van een Waddeneiland en zijn ontstaan, nemen we Texel als voorbeeld. Ga voor het verhaal van Texel naar de pagina Geologie van Texel op deze website

Duinenkust 

Langs de Noordzee komen we ook een uitgestrekte duinenkust tegen. Hij loopt van Denemarken (afbeelding 11) via de zeekant van de Deense, Duitse en Nederlandse Waddeneilanden naar de Kop van Noord-Holland. Daarna gaat hij langs de Nederlandse westkust via België verder naar het noorden van Frankrijk waar de Noordzee op een gegeven moment overgaat in het Nauw van Calais. 

duinenkust Denemarken met zwerfstenen Afbeelding 11. Foto's boven: Aan de Deense duinenkust, ongeveer ter hoogte van Ringkøbing, liggen op het zandstrand grote aantallen afgeronde zwerfstenen van noordelijke en noordoostelijke herkomst. Bij de foto's onder zien we daarvan 1) rhombenforfier - 2) vuursteen - 3) ogengneis - 4) porfier - 5) graniet - 6) gneis - 7) basalt - 8) zandsteen. Om de structuur ervan duidelijker te laten uitkomen, zijn de stenen nat gemaakt. De speld is 3 cm.

De duinenkust: meer dan alleen maar duinen
De duinenkust bestaat uit meer dan alleen maar duinen (afbeelding 12). Tussen de duinen en de zee bevindt zich een zandstrand en in de zee zelf kunnen plaatselijk nog zandplaten en zandbanken voorkomen. Tussen de zandbanken vinden we dwars op de kust nog diepere gedeelten die muien genoemd worden. Het zand wordt door zeestromingen aangevoerd. Op het strand kan het zand opdrogen waarna het door de wind getransporteerd kan worden en zo in de duinen terecht kan komen. Tijdens stormen kunnen ook stukken van het strand en de duinen weggeslagen en weggeblazen worden. Tegenwoordig wordt dan vanuit zee door baggerzuigers nieuw zand opgespoten. 

duinenkust
Afbeelding 12. Impressies van  het landschap bij de duinenkust. Links boven: Egmond aan Zee (Nederland) - boven midden: Nieuwvliet Bad (Nederland) - rechts boven: Oostkapelle (Nederland) - links onder en onder midden: Plage des Ecardines (Frankrijk) - rechts onder: Oostduinkerke (België).

Ontstaan van duinen
Duinen kunnen ontstaan als de met zand beladen wind een obstakel tegenkomt. Dat kan een stuk drijfhout of bijvoorbeeld een graspol zijn. Achter het obstakel is de windsnelheid lager waardoor daar het meegevoerde zand afgezet wordt. Op het strand is dit fenomeen vaak in het klein goed waar te nemen. Als kleine duinen begroeid raken, kunnen ze meer zand vangen waardoor ze groeien en dan een meer definitief karakter krijgen. 

Van duinen kunnen dus ook delen weggeblazen worden. Dan kunnen uitblazingslaagtes ontstaan. Als het zand diep genoeg wordt weggeblazen, komen we in een zone waar het vochtig is. Daar wordt de invloed van het grondwater merkbaar. In deze vochtige stukken kan de bodem weer begroeien waardoor ook weer zand vastgehouden kan worden. 

duinenkust
Afbeelding 13. Foto's boven: Storm met windkracht 11 aan de duinenkust bij Oostkapelle. De wind transporteert grote hoeveelheden zand. Let op de personen midden en rechts: ze zijn nauwelijks te zien doordat het stuivende zand een aardige hoogte bereikt. De wind vormt niet alleen de kust maar werkt ook aan de afbraak ervan. Links onder: Bij obstakels op het strand wordt aan de van de wind afgekeerde zijde zand afgezet. Onder midden: In de duinen kunnen we de blauwe zeedistel tegenkomen. Rechtsonder: helmgras in het duinengebied.

Jonge duinen en oude duinen
Langs de kust komen we twee soorten duinen tegen. De jonge duinen liggen direct aan het strand, de oude duinen komen we verder landinwaarts tegen. De jonge duinen – die tot meer dan vijftig meter hoog kunnen worden – zijn pas vanaf de middeleeuwen gevormd. En in feite zouden we kunnen zeggen dat ze nog niet ‘af’ zijn. Hun ontwikkeling gaat nog steeds door: nieuw zand wordt aangevoerd en bij zwaar weer kunnen delen verdwijnen. We hebben hier met een heel dynamisch gebeuren te maken waarin zich steeds nieuwe ontwikkelingen voordoen. Vanaf de middeleeuwen heeft nieuwe duinvorming plaatsgevonden waardoor niet alle jonge duinen even oud zijn. Hoe verder weg van de zee, hoe ouder ze eigenlijk zijn. Landinwaarts komen we achter de jonge duinen de oude duinen tegen. Ze zijn een stuk lager en enige duizenden jaren geleden op strandwallen ontstaan. Het kustgebied zag er toen heel anders uit. 

Land van Saeftinghe
Afbeelding 14. De duinenkust strekt zich uit van Denemarken tot in het noorden van Frankrijk. Toch komen we er niet overal een duinenlandschap tegen. Zo vinden we in de provincie Zeeland in het estuarium van de Westerschelde een getijdegebied dat bekend staat als het Verdronken Land van Saeftinghe (zie ook afbeelding 2). Dit getijdegebied is het grootste brakwaterschorrengebied van Europa. Bij normaal hoogwater blijft ongeveer 70% ervan droog. Op de foto is te zien hoe de waterstand in de prielen varieert bij laagwater (eb) en hoogwater (vloed). De pijlen geven de bij elkaar horende prielen aan bij de verschillende waterstanden.

Helmgras als pionier
In de duinen komen we veel helmgras (afbeelding 13) tegen. Deze pioniersplant heeft een uitgebreid wortelstelsel van wortelstokken waardoor ze het zand goed vast kan houden. Daardoor hebben de duinen meer overlevingskansen. Helmgras kan zich goed tegen het zoute milieu van het kustgebied beschermen zodat het in deze omgeving prima gedijt.

Voor wie zich verder in dit item wil verdiepen, zijn wellicht de onderstaande werken interessant. Voor het schrijven van dit item is voor een deel van deze werken gebruik gemaakt.

De Ondergrond van Nederland van Ed F.J. de Mulder e.a. is een uitgave van Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten 2003.

• De Atlas van Nederland in het Holoceen onder redactie van Jos Bazelmans e.a. (met kaarten van Peter Vos) is een uitgave van Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2012. 

Zwischen Jadebusen und Unterelbe van Karl-Heinz Sindowski is een uitgave van Sammlung Geologischer Führer – Gebrüder Borntraeger, Berlin/Stuttgart 1979. 

Das ostfriesische Küstengebiet van Karl-Heinz Sindowsky is een uitgave van Sammlung Geologischer Führer – Gebrüder Borntraeger, Berlin/Stuttgart 1973.

Die Entstehungsgeschichte der Insel Amrum van Malte Geschwinder is deel 1 van het Geologisches Kompendium des Öömrang Ferian. 

Tekst en overzichtskaartjes: Jan Weertz
Foto's: Jan en Els Weertz
© De Belemniet